Hoe het allemaal begon

KuiperCompagnons is een Rotterdams bureau, geworteld in de stad waar rond 1900 een stormachtige havenontwikkeling plaatsvond. Twee jonge ambitieuze ingenieurs,
ir P. Verhagen (1882-1950) en ir. M.J. Granpré Molière (1883-1972) verlieten in mei 1916 de afdeling Stadsuitbreiding van de gemeente Rotterdam om samen een bureau op te richten. Ze kenden elkaar al langer, sinds de studie Bouwkunde in Delft. Verhagen was een landschapsman. Molière was meer een stadsmens, met een grote belangstelling voor filosofie. In hun werk en vriendschap verenigden de compagnons twee polen: stad en land, cultuur en natuur. Daarin lag de sleutel voor een reeks oplossingen voor hèt ruimtelijke vraagstuk van de twintigste eeuw: het veranderende evenwicht tussen stad en platteland.

Bouwen aan reputatie
De twee compagnons zetten de stap naar een eigen bureau in een onzekere tijd. De Eerste Wereldoorlog had de nationale bouwproductie zo goed als stil gelegd. Toch waagden ze het erop, in mei 1916, om een bureau voor ‘architectuur, stedenbouw en vraagstukken van volkshuisvesting’ te starten.
Al honderd jaar lang vormen gemeentelijke uitbreidingsplannen de basis van KuiperCompagnons – tot omstreeks 1990 voornamelijk in Nederland, daarna steeds meer in groeilanden als China, India en Saudi-Arabië.

Vreewijk
Het project waarmee Verhagen en Molière de stap naar een eigen bureau durfden te zetten, heette tuindorp Vreewijk. Vreewijk bood meerdere jaren werk, en zette het jonge bureau onmiddellijk internationaal op de kaart. In dit uitbreidingsplan voor de ‘grootste tuinstad van Europa’ werd het ongekende aantal van 4.259 woningen in één bouwstroom gerealiseerd.